Robert
Nouwen
(2026).
Rome en de Lage Landen.
Een
geschiedenis van Caesar tot Clovis. Uitgeverij Lannoo, Tielt,
februari 2026. Hardcover, 622 pagina’s, kaarten, tijdlijn,
bibliografie, noten, woordenlijst, registers. ISBN
978-94-014-1195-0; € 39,99.
Rome en de Lage Landen. Een geschiedenis van Caesar tot Clovis
Dit is het nieuwste boek van Robert Nouwen. Hij publiceerde
eerder al een hele reeks uitgaves over allerlei aspecten van de
Romeinse Oudheid, maar dit is wel zijn magnum opus. Hij
beschrijft vijf eeuwen Romeinse overheersing, van 58 v.C. tot
476 n.C. Geografisch gaat het over het huidige Zwitserland,
Frankrijk, Luxemburg, België, Nederland, het westen van
Duitsland en soms ook Engeland.
Inhoud
Rome en de Lage Landen. Een geschiedenis van Caesar tot Clovis
Al
in de inleiding spreekt Nouwen vroegere historiografen tegen: de
Romeinen brachten geen vrede en beschaving, Caesar was één van
de meest meedogenloze veroveraars uit onze geschiedenis. Dat
doet pijn aan een Caesar-fan zoals ik, die nog geschoold is in
de oude, klassieke traditie die vooral de nadruk legde op de
voordelen van de Romeinse beschaving.
Het boek bestaat uit vier delen. Het begint met de verovering
van Gallia Belgica, Caesars beschrijving van Gallië, de
woongebieden van de elkaar bekampende stammen, hun
standenmaatschappij en levensonderhoud.
De oorlog in Gallia begon in 58 v.C. toen Caesar als gouverneur
zich verzette tegen de Helvetii, die vanuit het huidige Genève
naar de Romeinse regio Toulouse-Bordeaux wilden emigreren en het
gebied van de Haedui vernietigden. In 58 v.C. werden de Helvetii
en de Suebi verslagen.
Dan kwamen de Belgische stammen in opstand met 336.000 Galliërs
en Germanen. Met 40.000 man kon Caesar hen verslaan. Maar in 57,
56, 54 volgden er nog opstanden. Ook die werden onderdrukt. In
55 v.C. vielen in ‘het land van Maas en Waal’ zelfs 400.000
slachtoffers (p. 53). Dit cijfer kan overdreven zijn. Caesar
liet dan in tien dagen een brug bouwen over de Rijn (p. 54)!
Door een hinderlaag van Ambiorix en de Eburonen sneuvelden in 54
v.C. minstens 6.000 Romeinse militairen (p. 60). Bij de Romeinse
wraakactie kon Ambiorix ontsnappen. Vercingetorix daarentegen
moest zich in 52 v.C. overgeven bij de laatste algemene
Gallische opstand (p. 70-71). Caesar toonde geen genade. Enkele
andere stammen werden ook uitgeschakeld. In 51 v.C. was Gallia
volledig in Romeinse handen (p. 74). Het resultaat was: een
leeggeroofd land en een gedecimeerde bevolking. Dankzij
onderzoek van pollen en zaden in archeologische bodemmonsters
weten we dat de akkers afnamen en de bossen toenamen. Het juiste
aantal doden en slaven zullen we nooit kennen: Caesar schroefde
zijn cijfers vaak op om meer indruk te maken in Rome. De
Eburones en Atuatici werden helemaal uitgemoord, als straf voor
de twee ontsnappingen van Ambiorix. Vercingetorix werd in Rome
zes jaar ondergronds gevangen gehouden en dan vermoord: dat was
niet fraai. Alle goud dat Caesar vond, sleepte hij mee naar
Rome. Het Romeinse grondgebied was 500.000 km² groter geworden
of 17 x België, 12 x Nederland. Jaarlijks moest het 40 miljoen
sestertiën aan belastingen betalen.
Op 15 maart 44 v.C. werd Caesar vermoord door samenzweerders,
o.a. zijn aangenomen zoon Brutus, die de oude republiek wilden
herstellen, maar in plaats daarvan een burgeroorlog
veroorzaakten.
In het tweede deel beschrijft Nouwen Gallia Belgica tijdens de
Julisch-Claudische dynastie. De burgeroorlog na de moord op
Caesar eindigde pas in 31v.C. (p. 84).
Tijdens de regering van Augustus waren er pogingen van Drusus
(12-10 v.C.) en Germanicus om ook Germania te veroveren. Ook
Germaanse stammen zoals de Bataven namen hieraan deel. Ook voor
Augustus is Nouwen streng: hij was een brute imperialist (p.
139). Hij wou het rijk uitbreiden tot aan de Elbe, wat eventjes
lukte, dankzij Tiberius. In 7 n.C. was Varus de opvolger van
Tiberius. De Germaan Arminius, opgeleid door de Romeinen, lokte
Varus in een hinderlaag. Drie legioenen, bijna 20.000 man,
1/10de van het leger, inclusief de drie legioensadelaars, gingen
in 9 n.C. verloren in of nabij het Teutoburgerwald. Augustus
kreeg er een langdurige depressie van. In 11 en 12 n.C. staken
Tiberius en Germanicus en in 14-16 n.C. opnieuw Germanicus de
Rijn over om de smaad uit te wissen, maar er kwamen geen
veroveringen richting de Elbe.
Hij versloeg Arminius twee keer, maar telkens ontsnapte die. In
19 n.C. werd hij vermoord. De dader is onbekend.
Ondertussen werd het wegennet aangelegd en uitgebreid. Gallia
werd verbonden met Rome, dat in totaal 120.000 km heirbanen zou
tellen. Vooraf was er al wel een beperkt Gallisch wegennet,
waardoor de legioenen van Caesar met al hun bagage 40 tot 70 km
per dag konden afleggen (p. 103-109). Lyon werd het centrale
knooppunt. Kassel, Bavay, Tongeren, Heerlen en Trier waren
regionale knooppunten.
Het wegennet was onmisbaar voor de postdienst, met militaire
ruiters die 60 à 100 km per dag aflegden en in nood zelfs het
dubbele. Verder was het nuttig voor de verplaatsing van troepen,
het transport van goederen en de romanisering. Ook de waterwegen
zoals de Maas, Rijn en Noordzee speelden hierbij een rol.
De Romeinen stichtten ook steden: die bestonden nog niet in
noordelijk Gallia, Germania, Britannia en de Donauprovincies.
Voorburg, Nijmegen, Tongeren telden (slechts) 2.000 à 6.000
inwoners (p. 310). Nijmegen werd gesticht in 19 v.C. als
Batavodurum, Trier tussen 19 en 17, Tongeren rond 10 v.C.
Het bestuur van onze gewesten werd geleidelijk georganiseerd.
Het vierkeizersjaar 69 en de daaropvolgende Bataven-opstand
zorgden nog voor een korte crisis. Maar in 70 werd hun leider
Julius Civilis verslagen bij Xanten, waar nu een prachtig
archeologisch park is.
Deel drie behandelt de Pax Romana in Gallia Belgica en Germania
Inferior. In de jaren na de Bataafse en Joodse opstanden van 70
n.C. kreeg de buitenlandse politiek een meer defensief karakter
en was er bijna 200 jaar vrede.
De Pax Romana was voor de overwonnen volkeren een gewapende
vrede: de limes, de rijksgrens met zijn militaire bolwerken aan
de Rijn was niet enkel bedoeld om de vijanden van de overzijde
tegen te houden, maar ook om de bevolking aan de westelijke
zijde onder controle te houden. Zij moesten belastingen betalen,
troepen leveren, wegen aanleggen en onderhouden, voor voedsel
zorgen.
Omgekeerd kregen een aantal Gallische en Germaanse vorsten en
edelieden het Romeinse burgerrecht en sommigen werden senator of
ridder. Ze spraken Latijn en hun grafmonumenten waren in het
Latijn (p. 237-255). In 212 schonk keizer Caracalla het Romeinse
burgerrecht aan alle vrije mannelijke inwoners.
De financiële beheerder van Gallia Belgica en Germani Inferior,
de procurator Augusti, kreeg een royaal salaris van 200.000
sestertiën (p. 299).
We krijgen ook veel informatie over de villa’s en andere
woningen, de landbouw, voeding, handel, vaklieden, bankiers,
andere beroepen, de romanisering, het Latijn als voertaal, het
huwelijk, de mode, klederdracht, badinrichtingen, godsdiensten,
grafmonumenten (p. 323-411).
In deel vier tenslotte behandelt Nouwen het einde van de
Romeinse invloed in onze gewesten en de overgang naar de
Middeleeuwen. Verschillende factoren speelden hierin een rol.
Vanaf 260 kreeg Rome veel last van de invallen van Franken,
Alamannen en Saksen, die de Lage Landen teisterden met hun
rooftochten. De Franken vestigden zich in het huidige Nederland
en België. In Rome was de schatkist leeg en bleken de
soldatenkeizers corrupt. Een klimaatverandering speelde een
ongunstige rol. Bovendien was er een pestepidemie rond 165-180
en tussen 250 en 270 en zware overstromingen door verkeerde
zoutwinning (p. 441). De keizers Diocletianus en Constantijn
voerden wel een herstelbeleid. Het was de periode van de
tetrarchie, hervormingen van defensie en leger, economische
maatregelen enz.
Het christendom verspreidde zich langzaam in noordelijk Gallië
vanuit Trier, Keulen en Xanten. Velen beschouwden het als één
van de Oosterse mysterie-godsdiensten. Rond 313 hielden de
vervolgingen op. Het Romeinse Rijk telde toen ca. 530 kerken. In
380 promoveerde Theodosius het christendom tot staatsgodsdienst
(p.490-505).
In de late Oudheid en in de Middeleeuwen kreeg de katholieke
kerk meer invloed en gelovigen. Maastricht nam in de tweede
helft van de vierde eeuw de rol van Tongeren over, mede doordat
bisschop Servatius zich daar vestigde rond 384.
In 410 bedreigde Alarik, koning van de Goten, Rome. Bendes
Alanen, Vandalen en Sueven plunderden Gallia tot in Spanje.
Frankische immigranten vestigden zich definitief in noordelijk
Gallia; hun koningen werden steeds belangrijker. Clovis, geboren
in Doornik (466), koning van 481 tot 511 (Parijs), was één van
de bekendste.
In de 5de eeuw raakte de economie in vrije val. De invloed van
de Romeinse cultuur en taal nam af naarmate Germaanse stammen
meer macht kregen.
Het einde van de Romeinse macht in onze contreien op het einde
van de 5de eeuw had meerdere oorzaken: epidemieën, terugval van
de bevolking, slechte oogsten, plundertochten, interne problemen
zoals de machtsstrijd tussen de keizers en de economische
neergang.
Maar de Augusteïsche wereldorde heeft wel gedurende vijf eeuwen
de geschiedenis van Europa bepaald. De Romeinen hadden Europa al
verenigd met hun eenheidsmunt en uniforme wetgeving. En ondanks
de binnendringers bleef Gallia sterk geromaniseerd. (p. 546).
Beoordeling
Robert Nouwen heeft (weer) knap werk afgeleverd en daarbij alle
mogelijke bronnen geraadpleegd. Hij steunt zijn omvangrijke
studie niet enkel op literaire bronnen, maar ook op
archeologische, epigrafische en numismatische. Hij weet waarover
hij schrijft. Zijn studie is zeer gedetailleerd en schenkt
aandacht aan alle aspecten van het maatschappelijk leven.
Ze gaat niet enkel over toppers, maar ook over gewone boeren,
handelaars, vaklieden, soldaten.
Na een indrukwekkend, gedetailleerd en diepgravend historisch
overzicht volgen nog zeven kaarten van Gallia en Germania, een
handige tijdlijn van 58 v.C. tot 560 n.C., een leeswijzer met
titels van boeken, een lijst vertalingen van Latijnse en Griekse
schrijvers, een overzicht van de bronnen, vele noten, een
verklarende woordenlijst en een uitgebreid register van personen
en plaatsnamen.
Het boek is voor velen toegankelijk, maar een goede kennis van
het Latijn maakt de lectuur wel aangenamer. Al wie in Nederland
en België interesse heeft voor de Romeinse tijd, zal veel deugd
beleven aan dit prachtig uitgegeven boek.
De opmerkingen die nu volgen zijn dus details. Soms mag de lezer
even zoeken naar het jaartal: b.v. p. 54-55: 20 tot 25 juli of
p. 65: in augustus. Op p. 71 zegt Nouwen dat de Galliërs na de
nederlaag van Vercingetorix “zich volledig achter Caesar
schaarden” en twee regels verder dat “de onrust bleef
voortduren”. De auteur zegt ook niet in welke taal de Galliërs
met Caesar onderhandelden voordat ze geromaniseerd waren. Op p.
98 staat een zetfoutje: Gallia Comataom: die -om is te veel. De
cohors equitata was geen infanterie-eenheid (p. 199), maar een
gemengde: voetvolk en ruiters. Latrociniis (p. 296) zou ik
vertalen met roverijen i.p.v. ‘rovers’. ‘Van zodra’ (p. 451) is
een gallicisme voor ‘zodra’.
Allemaal details dus die niets afdoen aan de kwaliteit van dit
meesterwerk.
Jef Abbeel, maart 2026
www.jefabbeel.be




