Het begon met peper. De geschiedenis van Indonesië en Nederland.
Marrit Boogaards, Annemiek de Groot, Juul Lelieveld, Liesbeth
Rosendaal en Dido Drachman (Gottmer, Haarlem 2025), 224 blz., €
25,99
Het begon met peperl
'Het begon met peper' is een fraai jeugdboek over de geschiedenis van Indonesië en Nederland. Tom van der Geugten schreef er deze uitvoerige recensie over.
Inhoud
Het begon met peper
Tom van der Geugten
'Een boek dat er echt moest komen.' Zo werd
Het begon met peper in juni genoemd tijdens de presentatie van dit ambitieuze
jeugdboek voor kinderen vanaf elf jaar over de geschiedenis van
Indonesië en Nederland. Het kloeke is geschreven door Marrit
Boogaards, Annemiek de Groot, Juul Lelieveld en Liesbeth
Rosendaal, met illustraties van Dido Drachman. Het boek gaat
over een onderwerp waarover de opvattingen en inzichten de
laatste tijd flink in beweging zijn. Wat mag je anno 2025 van
zo'n boek verwachten?
In 2023 stond in Kleio (nr. 1) het artikel 'Een beter beeld van
het verleden. Goede voorbeelden uit schoolboeken over Indonesië'
van Marc van Berkel en mij, waarin we vier aspecten behandelden
die volgens ons meer aandacht verdienen in schoolboeken. Omdat
ik ervan uit kan gaan dat de makers van Het begon met peper
hiervan kennis hebben genomen, zal ik in deze boekbespreking
onze vier aanbevelingen als richtsnoer hanteren:
1 Besteed aandacht aan multiperspectiviteit.
2 Besteed aandacht aan geweld, onderdrukking, racisme, slavernij
en verzet.
3 Behandel de geschiedenis in een breed verband.
4 Verwerk nieuwe wetenschappelijke inzichten.
Het begon met peper heeft een sterke en afwisselende vormgeving
met veel betekenisvolle bestaande afbeeldingen. Deze zijn
aangevuld met de kleurrijk geschilderde illustraties van
Drachman die worden gekenmerkt door een scherp oog voor detail
en historische juistheid. Het boek begint met een eerste
hoofdstuk over land, volk en vroege geschiedenis van Indonesië,
een uitstekende introductie op wat er volgt, hoewel het
hoofdstuk wordt ontsierd door de onjuiste datering in de zin 'De
Borobudur en de Brambanan werden gebouwd in de eerste eeuwen na
het begin van onze jaartelling' (blz. 22).
Hierna volgt een teleurstellend tweede hoofdstuk over
'Oost-Indië' - zonder een uitleg over dit eurocentrische begrip
- in de 16e, 17e en 18e eeuw, dat begint met een etnocentrische
introductie waarin ervan wordt uitgegaan dat de lezer ontbijt
'met een kop thee en een beschuitje met hagelslag' (blz. 67).
Het hoofdstuk bestaat grotendeels uit een traditionele
eurocentrische beschrijving van de Europese expansie die in
kortere vorm in alle recente schoolboeken te vinden is. Het is
meer van hetzelfde en nauwelijks iets anders. Typerend is het
ontbreken van een uitleg over de goed gekozen boektitel. Op
bladzijde 46 staat: 'In juni 1596 bereikten ze dan toch, met nog
maar drie schepen, het eiland Java. Ze kochten er specerijen en
pikten wat handelswaar in, maar het was niet veel. Toen ze
terugkwamen...'. Wat niet wordt verteld is dat het (de gedeelde
Indonesisch-Nederlandse geschiedenis) toen in 1596 begon met de
eerste Indonesische verkoop van peper aan Nederlanders. Dat
gebeurde op de drukke markt van de internationale handelsstad
Banten (Bantam) waar deze nieuwkomers deel gingen nemen aan het
uitgebreide handelsnetwerk dat toen in Oost-Azië bestond
(inclusief slavenhandel). Wat ik mis in het narratief van dit
hoofdstuk is het Indonesisch perspectief waarbij beschreven
wordt hoe actieve Indonesiërs die handel wilden drijven met de
blanda's, werden geconfronteerd met de VOC-mentaliteit. Volgens
de Javaanse kroniek Babat Tanah Djawi zei een raadsheer
bijvoorbeeld al in 1629 tegen zijn vorst: 'Uwe hoogheid moet
weten dat de Hollanders vreselijk onbescheiden zijn. Als je ze
een voetenbankje geeft, klimmen ze op je schouders.'
Ook hoofdstuk 3 ('Ploeteren op de plantages', over de periode
1798-1942) is vanuit Nederlands perspectief gevuld met een grote
hoeveelheid informatie die in grote lijnen vergelijkbaar is met
de inhoud van recente schoolboeken, met name die voor 3-vmbo.
Daarbij vraag ik me af wat de vermelding van trivialiteiten voor
zin heeft, zoals het aantal vrouwen van enkele hoge Indonesiërs
en de scheiding van de ouders van Jo van Heutsz (blz. 73). En
waarom is de lege ruimte op diezelfde bladzijde niet gevuld met
wat meer en betere informatie over Tjoet Nja Dinh?
Het kolonialisme was fout en slecht, dat is het overkoepelende
thema van dit hoofdstuk en om dat duidelijk te maken heeft de
schrijver zich wellicht onopzettelijk bediend van
overdrijvingen, tegenstrijdigheden en feitelijke onjuistheden.
Zo hoorde geheel Indonesië pas na de onderwerping van Bali in
1906 (blz. 74) tot Nederlands-Indië, en niet al in 1873 (blz.
10). De beschrijving van het cultuurstelsel (blz. 74) is
achterhaald, afgezien van het feit dat boeren wel geld kregen
voor de verplichte leveringen. Volgens al enige tijd bestaande
wetenschappelijke inzichten heeft het stelsel door de bank
genomen voor de bevolking meer positieve dan negatieve
resultaten opgeleverd: de welvaart nam toe (zie genoemd
Kleio-artikel). Koelie is niet een ander woord voor
contractarbeider (blz. 83). Het door Van Heutsz gebruikte geweld
tijdens de Atjeh-Oorlog was algemeen bekend in Nederland en het
leidde tot felle protesten tegen 'zijn' monument (blz. 72). Van
de 60 leden tellende Volksraad waren 25 leden Nederlander en
niet 'een paar' (blz. 84). Kartini werd in haar emancipatiedrang
geremd door de Javaanse adat en juist gestimuleerd door de
Nederlanders. En ze was niet tegen de Nederlandse macht (blz.
80). De ethische politiek is onterecht gebagatelliseerd als 'een
soort goedmakertje' (blz. 84). Het is onjuist dat Indonesische
kinderen op school de Nederlandse topografie en het Wilhelmus
leerden (84). Deze hardnekkige mythes berusten op een foute
interpretatie van foto's van bruine Indo-Europese kinderen (in
klaslokalen met witte leraren) die als Nederlands staatsburger
Nederlands onderwijs volgden, en op een absurde scène in de
speelfilm Oeroeg die daarin afwijkt van de beschrijving in het
boek. Op de meeste dessascholen waren Indonesische leraren en
stonden de streektaal en de geschiedenis en aardrijkskunde van
de eigen streek op het programma. Nederlandse ouders in
Nederlands-Indië waren inderdaad bang dat hun kinderen te
Indisch werden, maar het was niet zo dat ze het niet leuk vonden
dat hun kinderen Indonesische woordjes leerden van hun bedienden
(blz. 88). Denk bijvoorbeeld aan pisang.
Deze onvolledige opsomming van mankementen werpt een bedroevende
schaduw over dit hoofdstuk. Ik had liever gehad dat de
overdrijvingen, tegenstrijdigheden en onjuistheden ontbraken en
dat het hoofdstuk eindigde met de uitspraak van de Indonesische
historicus Bonnie Triyana: 'Als er iets goeds was (aan de
Nederlandse activiteit in Indonesië), was dat hoogstens een
bijproduct van de uitbuiting.’
Over hoofdstuk 4 ('Kampen, honger en spoorlijnen') over de
periode 1939-1945 kan ik kort zijn. Het is een uitstekende en
evenwichtige beschrijving vol multiperspectiviteit van de
ontwikkelingen tijdens de Japanse bezetting. Wat ontbreekt is
een beschrijving van de gedwongen prostitutie voor de Japanners,
maar dat vind ik in een jeugdboek terecht.
Hoofdstuk 5 ('Vrij, maar toch niet vrij') over de periode
1945-1949 vind ik weer iets minder goed. Het is vooral een
beschrijving van wat aan Nederlandse zijde is gebeurd in het
Indonesisch-Nederlands conflict tegen de achtergrond van de
internationale bemoeienis, zoals ook in veel recente
schoolboeken in kortere teksten te vinden is. Sterk is de manier
waarmee in weinig woorden is benadrukt dat de Republiek
Indonesië vanaf de proclamatie op 17 augustus 1945 een feit was:
Nog geen twee weken later had Indonesië een president
(Soekarno), een vicepresident (Hatta), een grondwet, een
regering en het begin van het leger.' Wat niet klopt is dat de
rood-witte vlag toen al 'overal' (in heel Indonesië) wapperde
(blz. 130).
Het is begrijpelijk dat in dit hoofdstuk niet diep is ingegaan
op de ontwikkelingen aan Indonesische zijde en het is goed dat
er, anders dan in de meeste schoolboeken, opvallend veel
aandacht is voor de geweldsuitbarsting door pemoeda's in de
maanden na de proclamatie, een ontwikkeling die in Nederland de
naam bersiap kreeg. Maar dat begrip is geen synoniem van het
begrip revolusi (blz. 134), waarmee Indonesiërs het totaal aan
veranderingen bedoelen vanaf de proklamasi tot eind 1949 of
later. Als belangrijke verklaring voor de woede van de pemoeda's
ontbreekt de vermelding van het feit dat er bij de eerste Britse
troepen die op 15 september in Indonesië aankwamen ook enkele
Nederlanders waren. Dat het een chaotische tijd was, was een
gevolg van het machtsvacuüm in het land en niet van het feit dat
Soekarno geen soldaat was (blz. 134). Nog twee pijnlijke
slordigheden trof ik aan op blz. 154 (zie het lesmateriaal bij
Kleio van juni 2025). Bij een foto van de proclamatieoverdracht
op 27 december 1949 staat dat Soekarno toen president 'werd'
terwijl hij vanaf 18 augustus 1945 president was van de
Republiek en vanaf 17 december 1949 ook president was van de
Verenigde Staten van Indonesië (RIS). Op de foto is de functie
maar niet de voornaam vermeld van 'minister-president Drees'
vermeld, terwijl niet de functie maar wel de voornaam is vermeld
van 'Mohammed Hatta', die toen nota bene aan de ceremonie
deelnam als minister-president van de RIS. Deze ongelijke
vermelding komt neerbuigend op me over.
Hoofdstuk 6 ('Van korte broek naar winterjas') gaat over de
mensen die zich vanaf 1945 vanuit Indonesië in Nederland hebben
gevestigd. Het is een mooie uitgebreide beschrijving van de soms
moeilijke ervaringen van Indische Nederlanders, Molukkers en
Papoea's. Omdat in dit boek vaak geschreven is over
'Nederlanders en Indo-Europeanen' wil ik hier benadrukken dat
die Indo-Europeanen (ook wel: Indische mensen) ook Nederlandse
staatsburgers waren, waaronder ondergetekende. Omdat dat
staatsburgerschap ('paspoort', blz. 161) voorwaarde was voor de
migratie, noemden zij zichzelf 'Indische Nederlanders'. Als ze
door derden op één hoop zijn gegooid, dan was het met het begrip
repatriant. Nog een slordigheidje: Wilhelmina, en niet Juliana
en Bernard, woonde in Het Loo toen daar Indische mensen werden
ondergebracht (blz. 165).
Hoofdstuk 7 ('Patat met pindasaus') gaat over Ind(ones)ische
sporen in Nederland. Het is een mooie meerstemmige beschrijving
van gevolgen van de gedeelde geschiedenis in Nederland en in
Indonesië, van familieverhalen tot koninklijke excuses. Sterk
zijn de afsluitende reflectieve teksten over het verband tussen
kolonialisme en racisme en over de vraag of je je als
Nederlander schuldig moet voelen over deze geschiedenis.
Samenvattend constateer ik dat Het begon met peper een beetje
vernieuwend is. Er is weinig aandacht en ruimte besteed aan
multiperspectiviteit. De behandeling van geweld, onderdrukking,
racisme, slavernij en verzet is gematigd, passend op de
doelgroep. De geschiedenis is weinig in een breed verband
behandeld en recente wetenschappelijke inzichten zijn beperkt
verwerkt.




